meeschrijven met dzjoef

De onzichtbare stad

0

Antropoloog Filip De Boeck over leven in een miljoenenstad

Tegengesteld aan het gangbare beeld over Afrika leeft 40 percent van de bevolking van dit continent in steden. Zowel de geschiedenis als de globalisering zorgen voor een sterke verknoping van onze steden met Afrikaanse steden, bijvoorbeeld tussen de Brusselse Matongéwijk en Kinshasa in Kongo.

Filip De Boeck, antropoloog aan de Katholieke Universiteit Leuven, won samen met fotografe Marie Françoise Plissart en architect Koen van Synghel een Gouden Leeuw op de architectuurbiënnale van Venetië voor de tentoonstelling ‘Kinshasa, the imaginary city’.

Een gesprek over stedelijkheid voorbij de gebouwde architectuur en over de manier waarop die stedelijkheid tot stand komt in Kinshasa.

Stad zonder plan

> U noemt Kinshasa een ‘stad zonder stedenbouw’. Hoe ziet u stedelijkheid dan wel?

Filip De Boeck: “Met de tentoonstelling en ons boek willen we argumenteren dat een stad een levend lichaam is. Ze wordt gevormd door de verschillende trajecten die haar inwoners afleggen en door de ontmoetingen die daaruit voortvloeien. Het menselijke lichaam wordt op die manier de basisbouwsteen van de stad; het zorgt voor een soort onzichtbare infrastructuur. Uiteraard is er geen enkele stad die kan bestaan zonder gebouwen en infrastructuur. Wie even zonder elektriciteit zit, merkt meteen hoe belangrijk zoiets is. In Kinshasa stammen de meeste gebouwen en voorzieningen uit de koloniale tijd. Voor wat er nadien is bijgebouwd, is nooit een stedenbouwkundig plan ontworpen. Toch leven daar op dit moment zes tot zeven miljoen mensen samen. Op die manier moet je wel tot de conclusie komen dat stedelijkheid meer is dan alleen gebouwen.”

> Wat is de rol van het koloniale verleden in een stad als Kinshasa?

De Boeck: “Het grootste deel van de geürbaniseerde, geplande stad bestaat uit wijken die tot de jaren zestig gebouwd zijn door de Belgische kolonisator. De koloniale planning vertrok van een typisch Belgische gezinssituatie: mama, papa en de kinderen. Dat resulteerde in dicht op elkaar gebouwde huizen met twee slaapkamers, een living en daarachter een koertje. Zoiets beantwoordt absoluut niet aan de Kongolese familie –en verwantschapstructuren. Er werd toen ook veel te weinig gebouwd. In de jaren vijftig bouwde de overheid in Kinshasa een paar duizend huizen, maar dat was toen al onvoldoende om de 400 000 inwoners die de stad in 1960 telde te huisvesten. Na 1960 kwamen er geen woningen meer bij, maar toch groeide de bevolking van 400 000 naar 6 tot 7 miljoen.

Dat betekent dat driekwart van de stad zich aan de geürbaniseerde stad heeft aangehecht, op een veel minder geplande manier. Het zwaartepunt van de stad heeft zich dus van het geplande koloniale centrum verplaatst naar de buitenwijken. De bestaande huizen hebben bovendien een totaal andere invulling gekregen dan hun oorspronkelijke bestemming. Vandaag delen vijf tot zes families de ruimte voor een ééngezinswoning. De koertjes zijn omgevormd tot keukentjes, tot een optrekje voor de schoonmoeder en nadien, met de toenemende economische crisis, werden alle kamers verder onderverdeeld in twee of drie kamertjes. De stad heeft met andere woorden het Belgische, stedenbouwkundig plan naar haar hand gezet. Ze heeft zichzelf heruitgevonden vanuit die koloniale, modernistische stedenbouwkundige wortels.”

> Al lijkt stedelijkheid in Kinshasa heel spontaan en ongepland, toch is de modernistische droom er nog heel sterk, stelt u. Is dat niet paradoxaal?

De Boeck: “Er bestaat een overduidelijk utopisch verlangen naar de perfecte, geplande stad. Haast alle Kinois dromen van een stad met goede wegen, bruggen, van straten waar het niet stinkt,… Toch lijkt het alsof die ideaalbeelden alleen met woorden worden verwezenlijkt. Het is dus een vorm van escapisme. Sommige religieuze bewegingen spelen daarop in door haar aanhangers een nieuwe stad voor te houden, een nieuw Jeruzalem, een stad Gods. Dat mentale niveau van dromen en idealen is heel belangrijk in de constructie van Kinshasa als stad.”

> De stedelijke infrastructuur is een schijnvertoning, stelt u. “Heel Kinshasa staat vol afgesloten sanitair, echo’s van een moderniteit die nog wel in haar uiterlijke vorm bestaat, maar niet langer de inhoud heeft die er oorspronkelijk mee verbonden was. Vandaag leven mensen in de skeletten van hun bevroren droom van vooruitgang en grandeur.” Toch zie je ook in onze steden die schijnvertoning?

De Boeck: “Een terechte opmerking: ook in westerse steden zien we dat minder fraaie zaken voortdurend weggemoffeld worden en dat de mooie plaatjes overbelicht worden. Er is echter wel een belangrijk verschil: terwijl in onze steden de derde en vierde wereld de onzichtbare onderbuik van de stad vormen, bepalen ze in Kinshasa veel meer de dagelijkse realiteit. Het beeld dat wij verdringen is daar het dominante beeld. De luxe die wij tentoonspreiden, zit daar veel meer verborgen achter deuren en muren.”

“Jammer genoeg zijn sloppenwijken een realiteit, maar de inwoners ervan mag je niet herleiden tot slachtoffers die voor eeuwig in hun problemen gevangen zullen blijven. Ruimtes van analfabetisme, exclusie en marginalisering bevatten tegelijk ook een enorme creativiteit en energie”

Zwart gat

> Hoe staat u tegenover analyses die Derde Wereldsteden voornamelijk voorstellen als oorden van armoede, uitsluiting, analfabetisme, AIDS, overbevolking,…?

De Boeck: “Het is voor ons een belangrijke dreefveer om dergelijke visies in vraag te stellen. Het zijn vaak analyses ‘van bovenaf’ die meer zeggen over de mensen die die analyses maken, dan over de realiteit van die steden zelf.

Volgens ons verwijzen armoede en chaos niet automatisch naar een zwart gat. Er is steeds potentie aanwezig. Inwoners van Derde Wereldsteden hebben eigen dromen en aspiraties. Op hun eigen manier bouwen mensen er hun leven uit. Ze zien zichzelf niet alleen als slachtoffer. Dat is een rol die hen vooral van bovenaf wordt opgelegd. Jammer genoeg zijn sloppenwijken een realiteit, maar de inwoners ervan mag je niet herleiden tot slachtoffers die voor eeuwig in hun problemen gevangen zullen blijven. Ruimtes van analfabetisme, exclusie en marginalisering bevatten tegelijk ook een enorme creativiteit en energie, zonder het leven daar te willen romantiseren. Als je de stad bekijkt als een traject van verschillende lichamen, zoals wij deden, zie je dat mensen ginder op een onvoorstelbare manier omgaan met beweging en verplaatsing. Ze vertrekken zonder ooit zeker te zijn van hun aankomst. Een dergelijke houding genereert heel veel toeval en onvoorziene dingen en zorgt voor heel veel mogelijkheden die hier bij ons gewoonweg uitgesloten zijn.”

> Volgens sommige auteurs leidt de globalisering tot een tegenstelling tussen kosmopolitische, nomadische rijken en plaatsgebonden armen. Gelooft u in die tweedeling of bent u eerder het standpunt van de globale verknoping en de netwerksamenleving toegedaan?

De Boeck: “Eigenlijk denk ik dat beide tegelijk opgaan. In een stad als Kinshasa nemen mensen deel aan andere vormen van globalisering, die misschien niet zo strak ingeschreven zijn in de formele wereldeconomie, maar er wel belangrijke raakvlakken mee hebben. Die informele economie brengt enorm veel beweging en verplaatsing met zich mee. Die trajecten lopen niet altijd via de officiële paden, er zijn heel veel illegale pistes die hoe langer hoe minder naar Europa en het Westen leiden. Ze vormen een soort van transnationale wereld die zich richt op het Midden-Oosten en op het Verre Oosten en waarin bepaalde mensen zich probleemloos weten in te schrijven. Tussen Kinshasa, Dubai en Bangkok wordt er bijvoorbeeld heel veel heen en weer gereisd door mannen én vrouwen die soms niet eens kunnen lezen of schrijven, maar die wel een miljoenenbusiness weten op te zetten en deelnemen aan de economische globalisering.”

Dorp in de stad, stad in de wereld

> Is er in Afrika een sterkere band tussen het platteland en de stad dan in Europa?

De Boeck: “Ja, op verschillende niveaus. Kinshasa is een stad die op een zeer agrarische manier zichzelf in leven houdt. Ten eerste gaat de stad fysiek hoe langer hoe meer op het platteland lijken: zandpaden in plaats van asfaltwegen. Ten tweede zie je dat de wijken georganiseerd zijn op basis van sociale relaties die hun wortels hebben in een rurale leefwereld. Ze zijn geïnspireerd op etnisch toebehoren en op meer ‘traditionele’ politieke structuren en noties van autoriteit. Tenslotte zie je ook op het economische vlak dat plattelandspraktijken worden voortgezet in de stad. Overal zijn er kleine tuintjes, zelfs op de vluchtheuvel van de grote boulevards wordt maniok aangeplant.

Het dorp blijft vaak het formele en ethische kader aanreiken waardoor mensen kunnen functioneren in de stad. Bij huwelijken, begrafenissen, ziekte, enzovoort keert men naar de mentale ruimte van het dorp terug. Al zijn er dus hoe langer hoe meer mensen die het dorp nooit gezien hebben, geboren en getogen stedelingen, toch blijft het dorp centraal staan in de dagelijkse leefwereld. De klassieke tegenstelling tussen stad en platteland heeft geen enkele betekenis meer in de postkoloniale wereld.”

> Die tegenstelling is dus een koloniale uitvinding?

De Boeck: “In de koloniale periode werd het dorp tegenover de stad geplaatst, want de stad was een nieuwe ruimte die door de koloniale overheid was gecreëerd. De stad werd van in het begin aangeduid als ‘centre extra-coutumier’, een plaats buiten de lokale tradities en gebruiken. Het was een ruimte van het moderne, tegenover het dorp als achterlijke ruimte. Die visie wordt nog altijd weerspiegeld in het taalgebruik van mensen: ‘Je monte en ville’.

Kinshasa is ontstaan als een groot arbeiderskamp, als een industriële zone langs de rivier vanwaar allerlei grondstoffen werden geëxporteerd naar de metropool. Daar had je arbeidskrachten voor nodig. België heeft ervoor gekozen om een lokale arbeidersklasse te vormen en in kampen onder te brengen. In die lokale stadswijken mochten alleen zwarten wonen. In Kinshasa heerste een soort apartheidsysteem avant la lettre. Het Zuid-Afrikaanse apartheidsmodel heeft zich sterk laten inspireren door het Belgische stadsplan met zwarte en blanke wijken.”

> Toch heeft die strikte scheiding het ontstaan van de huidige mengcultuur niet kunnen verhinderen?

De Boeck: “Inderdaad. Vanaf de jaren vijftig ontstond er een Afrikaanse stadscultuur met eigen ontmoetingsplaatsen en een nieuw soort muziek, de Kongolese rumba. De opkomst van die cultuur heeft te maken met het onstaan van vrije tijd, maar is ook sterk verbonden met de koloniale aanwezigheid. Het is een verhaal van vermenging dat eigen is aan de stad zoals ze geworden is. Belgische, Europese, traditionele en Afrikaanse dynamieken zijn door elkaar beginnen te lopen in een postkoloniale stadscultuur die veel meer geglobaliseerd is dan in onze steden. Mensen verplaatsen zich veel makkelijker naar andere steden en werelddelen. Ze switchen makkelijker tussen identiteiten en het dorp en de stad zijn veel sterker met elkaar verweven. In die zin is Kinshasa veel moderner dan onze steden.

Westerlingen zijn veel provincialistischer. Wij zitten veel meer vast aan lokale identiteiten. In Afrika kun je probleemloos een moslim zijn en tegelijk je voorouders vereren, uitgaan op zaterdagavond en deelnemen aan rituelen die niets met de islam te maken hebben. Je wisselt voortdurend van identiteit.”

 

Pascal Debruyne

Deel dit artikel

Over de auteur

Dzjoef.be is de opvolger van de kritische stadskrant TiensTiens. De vijfkoppige hoofdredactie onderhoudt het webmagazine en laat zich ondersteunen door vrijwilligers die nu en dan hun inzichten publiceren. Bijdragen? Neem contact op: stadskrantdzjoef@gmail.com.

XSLT Plugin by BMI Calculator